Mijn vader , de dag dat alles veranderde
Het is 26 december. Tweede kerstdag. Ik woon in Spijkenisse, samen met mijn zoon Mike. De witlof met ham en kaas staat in de oven, naast een heerlijke rollade.
Op de tv heb ik Robbie Williams aangezet: Live at the Royal Albert Hall. Lekker hard natuurlijk, want als Robbie zingt mag de rest van de wereld best even meegenieten. Het zou een mooie kerst worden. Gewoon Mike en ik samen, lekker eten, beetje televisie kijken en vooral niets bijzonders. En met oud en nieuw zou het helemaal gezellig worden, want dan zou ik eindelijk weer eens samen met Mike bij mijn ouders zijn.
Mike was inmiddels 14. Een heerlijke puber. Hij leefde voornamelijk in zijn puberhol. Een kamer met een pc, spelletjes en zijn muziek. Nou ja… muziek. Thunderdome of zoiets. Ik weet niet wie ooit bedacht heeft dat je dat muziek mocht noemen, maar voor mij klonk het vooral alsof iemand een wasmachine vol bakstenen van de trap gooide. Praten met de mensen met wie je computerspelletjes speelde was toen ook al uitgevonden. Dus regelmatig kwamen er vanuit zijn kamer kreten van blijdschap, woede en vooral teleurstelling. Kennelijk ging iedereen op dat beeldscherm voortdurend dood. Geen idee wat voor oorlog daar iedere avond werd uitgevochten, maar vredig was het in ieder geval niet.
Tot diep in de nacht werden er battles gestreden en als ik dan toch ineens bedacht dat ik behalve huisgenoot óók nog moeder was en voorzichtig riep dat het misschien tijd werd om te stoppen, kreeg ik vanuit het puberhol de nodige verwensingen naar mijn hoofd. Ach ja, veertien jaar. En dan hebben we het nog niet eens over de lucht die uit zo’n puberkamer kan komen. Man, man, man… Als je daar de deur opendeed, kreeg je bijna automatisch de neiging om achteruit weer naar buiten te lopen. Een varkensstal rook ernaast als een parfumerie. Ramen openzetten was geen overbodige luxe, maar gewoon pure noodzaak om de rest van het huis bewoonbaar te houden.
Maar goed, vanuit míjn gedeelte van het huis kwamen gelukkig heel andere geuren. Rollade en witlof met ham en kaas. Lekker ouderwets en traditioneel. Precies zoals kersteten voor mij mocht ruiken. Robbie Williams zong vanuit de woonkamer, Mike voerde waarschijnlijk ergens een digitale wereldoorlog en ik rommelde tevreden in mijn keuken. Eigenlijk was er helemaal niets bijzonders aan de hand. Het was 25 december, eerste kerstdag. Het zou gewoon een fijne, rustige kerst worden. En een paar dagen later zouden Mike en ik met oud en nieuw bij mijn ouders zijn. Daar verheugde ik me op. Gewoon samen, mijn ouders, Mike en ik. Zo’n moment waarvan je denkt dat er nog honderden zullen komen.
Dus ik stond daar in mijn keuken, tussen de rollade en de witlof, met Robbie Williams op de achtergrond en een puber boven die waarschijnlijk alweer iemand digitaal naar de andere wereld hielp. Een doodgewone kerst. Tenminste… dat dacht ik. Want soms begint een dag heel gewoon. Je staat te koken, je luistert naar muziek, je ergert je een beetje aan je puber en je denkt aan volgende week. En je hebt werkelijk geen idee dat binnen een paar uur alles anders zal zijn. Het zou een gewone kerst worden… of toch niet?
De telefoon gaat. Gert belt met de mededeling dat pa is opgenomen in het ziekenhuis. Tijdens het gourmetten was hij ineens niet lekker geworden en kreeg hij ontzettend veel last van zijn been. Het was blijkbaar zo heftig dat hij met spoed naar het ziekenhuis moest. Weg gewone eerste kerstdag. Weg Robbie Williams, de rollade en de witlof. Ineens was er alleen nog maar onrust. Wat was er met pa aan de hand? Samen met Mike ben ik later die avond naar het ziekenhuis gereden. We mochten gelukkig nog even bij hem en konden gewoon met hem kletsen. Natuurlijk maakte ik me zorgen, maar ergens ga je er op zo'n moment gewoon vanuit dat het wel weer goed komt. Pa lag in het ziekenhuis, ze zouden uitzoeken wat er aan de hand was en daarna zou hij gewoon weer naar huis komen. Want zo werkt dat toch? Zeker met mijn vader. Die hoorde gewoon bij mijn leven. Daar dacht je verder niet over na. Toen we weer weggingen gaf ik hem nog een kroel en een kus. Mijn laatste woorden tegen hem waren: “Snel naar huis komen hoor, want we hebben oud en nieuw te vieren samen…” Nog één kroel. Nog één kus. En toen liep ik samen met Mike die ziekenhuiskamer uit. Niet wetende dat ik zojuist voor de allerlaatste keer met mijn vader had gepraat. Niet wetende dat die kroel de laatste zou zijn. En vooral niet wetende dat ik zijn stem daarna nooit meer zou horen.
De volgende dag ben ik gewoon naar mijn werk gegaan. Ik werkte in die tijd bij Eimskip als cargadoor. De eerste berichten vanuit het ziekenhuis waren eigenlijk nog best goed. Pa was wakker en aanspreekbaar, maar hij moest in bed blijven vanwege het gevaar op trombose. Natuurlijk maakte ik me zorgen, maar er was op dat moment nog niets waardoor ik dacht dat ik hem kwijt zou raken. Dus ik deed wat je doet. Ik ging gewoon aan het werk.
Achteraf is dat zo vreemd. De wereld draait gewoon door terwijl jouw eigen wereld op het punt staat volledig stil te vallen. Rond half elf ging de telefoon op het toestel van mijn toenmalige leidinggevende. Hij nam op en gaf de telefoon aan mij. Ik weet niet eens meer precies wat er aan de andere kant werd gezegd. Ik weet alleen nog wat het met mij deed. De schreeuw die toen uit mij kwam, was vier verdiepingen boven mij nog te horen. Pa was weg. Hij was dood. Hij was er niet meer. Hoe dan? Waarom dan? Niet mijn vader. Alsjeblieft niet mijn vader. Dit kan niet. Dit is niet waar. Je liegt.
Gisterenavond had ik hem nog vastgehouden. Gisterenavond had ik hem nog een kus gegeven. Gisterenavond hoorde ik zijn stem nog. Ik had nog tegen hem gezegd: “Snel naar huis komen hoor, want we hebben oud en nieuw te vieren samen…” En nu was hij er ineens niet meer. Geen oud en nieuw samen. Geen volgende keer. Geen nieuwe kroel. Geen kus. Nooit meer zijn stem. Mijn vader was dood. De man van wie ik altijd dacht dat hij er gewoon zou zijn, was er van het ene op het andere moment niet meer. En ik kon het niet begrijpen. Ik wilde het niet begrijpen. Er was maar één gedachte die door mijn hoofd bleef razen: niet mijn vader… niet mijn vader… niet mijn vader.
Ik was zo van de kaart dat zelf autorijden absoluut geen optie meer was. Mijn leidinggevende en een collega hebben me daarom naar huis gebracht. Ik woonde in die tijd met Mike in Spijkenisse, vierhoog. Vier trappen. Normaal gesproken denk je daar niet eens over na, je loopt ze gewoon op. Maar die dag leken het er wel honderd. Mike en mijn vader waren letterlijk vier handen op één buik.
Opa en kleinzoon, maar eigenlijk veel meer dan dat. Mijn vader was gek op hem en Mike op mijn vader. En ergens daarboven zat mijn veertienjarige zoon in zijn puberhol, nog van helemaal niets wetend. Terwijl ik beneden aan die trap stond met het verschrikkelijkste nieuws dat ik hem ooit zou moeten vertellen. Mijn vader was dood. Zijn opa was dood. Hoe vertel je zoiets aan je kind? Hoe loop je met zo'n boodschap vier trappen omhoog? Iedere trede voelde zwaarder dan de vorige.
Het leek alsof die trappen steeds hoger werden en ik maar niet boven kwam. Misschien wilde ik ook wel helemaal niet boven komen, want zolang ik die voordeur nog niet had opengedaan en het nog niet tegen Mike had gezegd, hoefde ik zijn wereld nog niet kapot te maken. Maar uiteindelijk kwam ik boven. Ik opende de deur en ben meteen naar zijn kamer gegaan. Geen idee meer welke woorden ik precies heb gebruikt. Sommige momenten zijn zo groot dat de details verdwijnen en alleen het gevoel overblijft. En daar zaten we dan. Moeder en zoon. Twee levens die in één klap veranderd waren door dat ene leven dat er niet meer was. Mijn vader. Zijn opa. Verdriet, tranen, ongeloof en vooral een enorme machteloosheid. We konden niets doen. We konden hem niet terughalen. We konden alleen maar bij elkaar zitten en proberen te begrijpen wat eigenlijk helemaal niet te begrijpen was. Gisteren was hij er nog. Gisteren hadden we nog met hem gepraat. En vandaag moesten Mike en ik samen leren bevatten dat onze pa en opa nooit meer thuis zou komen.
We reden naar het ziekenhuis waar hij lag. Eenmaal aangekomen was iedereen er al. In een klein kamertje lag hij in het midden. Stil… wit… mijn vader, maar tegelijkertijd ook niet meer helemaal mijn vader. Ik wilde met alles wat ik in me had bij hem liggen. Even tegen hem aan. Hem een kroel geven, een kus, nog één keer voelen dat hij mijn vader was. Maar dat mocht niet. Waarom weet ik eigenlijk nog steeds niet. Misschien is het me verteld en heb ik het gewoon niet gehoord. Het zullen alle emoties wel geweest zijn. Alles ging langs me heen. Daarna zijn we naar het huis van mijn ouders gegaan.
Mijn ouderlijk huis. Natuurlijk kwam er al snel iemand om van alles te bespreken. Wat voor kist? Wie moet er komen? Welke bloemen? Wat wil je tijdens de crematie? Allemaal vragen waar je op zo’n moment helemaal geen antwoord op wilt geven. Wat interesseert je dat nou… Mijn vader was dood. Ik was zelf ook een beetje dood vanbinnen. Leeg. Het mooiste was weg. Hij was niet meer in die kamer. Hij zou nooit meer in zijn stoel zitten, nooit meer iets zeggen, nooit meer naar me kijken en nooit meer “mijn meissie” zeggen. En ondertussen moest je nadenken over een kist en bloemen.
Mijn vader lag opgebaard in een gebouwtje vlak bij het huis van mijn ouders. Wij hadden daar zelf de sleutel van, dus we konden naar hem toe wanneer we maar wilden. We moesten ook controleren of de koeling het bleef doen. Het klinkt misschien heel vreemd, maar ik heb daar totaal geen moeite mee gehad. Het was tenslotte nog steeds mijn vader die daar lag. Voor mij was hij niet ineens eng of naar omdat hij overleden was. Het was papa. We hadden het kamertje waar hij lag een beetje gezellig gemaakt. Een raar woord misschien, gezellig, maar zo voelde het. Als hij daar dan toch tot 2 januari moest blijven, dan wilden we dat het een beetje van ons was. Niet zo’n kale, koude ruimte.
Op oudjaarsavond heb ik daar samen met mijn moeder bij hem gezeten. Misschien was er nog iemand bij, maar dat stukje ben ik kwijt. Sommige dingen staan voor altijd in mijn geheugen gegrift en andere zijn gewoon verdwenen. Alsof mijn hoofd zelf heeft besloten wat het nog aankon. Wat ik wel weet is dat oudjaarsavond vanaf dat moment nooit meer hetzelfde zou zijn. Op visite gaan bij mijn ouders op oudjaarsavond had ineens een totaal andere betekenis gekregen. Mijn moeder zat daar… en mijn vader lag daar. Geen oliebollen, geen gezellig geklets over het nieuwe jaar zoals vroeger. Want welk nieuw jaar? Ik wilde helemaal geen nieuw jaar zonder hem. En toen kwam 2 januari.
De crematie. Er werd prachtig gesproken. Mijn vader was geliefd en dat merkte je aan alles, maar vooral aan de enorme opkomst. Zoveel mensen… niet normaal. Mensen uit allerlei stukjes van zijn leven waren gekomen om afscheid van hem te nemen. Dat deed pijn, maar ergens maakte het me ook ontzettend trots. Kijk dan… dat was mijn vader. Mijn broers en ik mochten de kist de zaal in rijden. Ik weet nog dat ik stond te trillen op mijn benen. Mijn handen aan die kist en maar lopen. Stap voor stap. Daar reed ik dan… met een kist. Met mijn vader erin. Mijn vader, die altijd gewoon ergens hoorde te lopen, te zitten, te praten of te lachen. Niet in een kist. Nooit in een kist. En toch duwden wij hem daar met zijn kinderen naar binnen. Zijn laatste stukje met ons. Zucht… zelfs zoveel jaren later blijft dat een beeld dat nooit helemaal uit mijn hoofd zal verdwijnen. Sommige momenten worden geen herinnering. Die blijven gewoon ergens in je wonen.
Nu, 25 jaar later, zit ik zelf in een situatie waarvan ik niet weet hoe die gaat eindigen. Eén ding weet ik wel: de leeftijd die mijn vader heeft bereikt, ga ik niet halen. En misschien is het juist daarom dat ik hem nu meer mis dan ooit. Alsof hij, nu mijn eigen leven zo onzeker is geworden, ineens weer een stukje dichterbij is.
Elke avond voordat ik ga slapen praat ik met hem. Gewoon in mijn hoofd, soms zachtjes hardop. Alsof hij me nog steeds kan horen. Ik vertel hem wat me bezighoudt, waar ik bang voor ben en soms ook gewoon dat ik hem mis.
En steeds weer stel ik hem dezelfde vraag.
Pap… ben je daar straks?
Sta je daar ergens op me te wachten?
Steek je dan je armen naar me uit, zoals je vroeger deed? Pak je me vast en zeg je dan gewoon:
“Kom maar, meisje… het is goed.”
Want als er één persoon is bij wie ik me altijd weer dat kleine meisje zou mogen voelen, dan ben jij het.
Elke avond kijk ik naar je foto. Daarbij ligt dat kleine knuffeltje dat ik ooit als achtjarig meisje maakte. Dat simpele knuffeltje dat later in iedere auto met me meeging. Jaren en jaren heeft het met u meegereden, zonder dat ik ooit had kunnen bedenken hoeveel betekenis zoiets kleins ooit zou krijgen. Nu ligt het bij jouw foto. Een stukje van het meisje dat ik toen was, bij de man die voor dat meisje de hele wereld was.
Ik heb in mijn leven dingen gedaan waar je vast niet altijd blij mee bent geweest. Ik heb je misschien vaker teleurgesteld dan ik had gewild. Er zijn zoveel dingen die ik je nu nog zou willen zeggen en zoveel momenten waarvan ik achteraf denk: had ik toen maar geweten hoeveel tijd we nog hadden.
Maar boven alles hoop ik dat je wist hoeveel ik van je hield.
En nog steeds van je hou.
Want 25 jaar verandert daar helemaal niets aan. De tijd gaat verder, mensen worden ouder, kinderen krijgen zelf kinderen en het leven dendert gewoon door. Maar ergens diep vanbinnen ben ik nog steeds jouw meissie.
En misschien, als mijn tijd ooit gekomen is, blijkt dat je helemaal niet zo ver weg was als het al die jaren heeft gevoeld.
Misschien hoef ik je dan niet eens te zoeken.
Misschien sta je er gewoon.
Met die armen open.
En hoef je alleen maar te zeggen:
“Daar ben je dan, mijn meissie. Kom maar.”
Mijn vader was mijn held.
Eigenlijk is hij dat nooit opgehouden te zijn.