Vandaag gingen we naar Duitsland,
gewoon even naar de DM.
Een beetje shampoo, een potje dit,
een tubetje dat…
je kent het wel.
En eigenlijk ging het best goed.
Mijn benen deden wat ze moesten doen,
de vermoeidheid hield zich redelijk koest
en zelfs Sjakie,
mijn ongewenste bovenbuurman op zolder,
hield zich verrassend rustig.
Totdat…
HET KIND begon te krijsen.
Niet huilen.
Niet een beetje jammeren.
Nee.
Krijsen alsof iemand ter plekke
zijn volledige erfenis had afgepakt.
En ergens bovenin mijn hoofd
ging Sjakie rechtop zitten.
Hé hallo… wat is DIT nou weer?
Mijn hoofd liep vol,
het geluid kwam tien keer harder binnen
en mijn energie liep ongeveer net zo snel weg
als het water uit een bad zonder stop.
Ademhalen.
Rustig blijven.
Gewoon verder lopen.
Maar toen verscheen zij.
De vrouw in de zwarte jurk.
Overal waar wij liepen,
liep zij ook.
Met haar winkelwagentje.
Gangpad links?
Daar stond ze.
Gangpad rechts?
Daar stond ze.
Even ergens rustig kijken?
Nee hoor.
Daar stond ze weer.
En opzij gaan?
Welnee.
Waarom zou je?
De DM was kennelijk die middag
gewoon van haar.
Dus daar liep ik.
Met een krijsend kind,
een vrouw in een zwarte jurk
die persoonlijk ieder gangpad bewaakte,
en Sjakie die inmiddels op zolder
met twee pannendeksels tegen elkaar stond te slaan.
Toen wist ik het weer.
Een hersentumor betekent niet alleen
ziek zijn, behandelingen en moeheid.
Soms betekent het ook
dat een krijsend kind klinkt als een luchtalarm,
een winkelwagentje een persoonlijke aanval wordt
en een vrouw in een zwarte jurk
ineens de hoofdrol speelt
in een Duitse drogisterijthriller.
Maar…
Ik was er.
Ik liep door die winkel.
Ik deed mijn boodschappen.
En ik kwam er ook weer uit.
Met een hoofd dat schreeuwde:
NU NAAR HUIS!
En Sjakie?
Die kreeg bij thuiskomst
geen snoepje van de DM.
Want hij had zich niet gedragen. 😂❤️