DE MAN MET DE WITTE JAS
Ik zie hem nog voor me… de man met de witte jas.
Zijn gezicht vriendelijk en zacht, zijn handen gemaakt om arts te worden. Hij neemt ons mee naar een kamertje met één zielig plantje op tafel en twee glazen water.
De man met de witte jas doet dit elke dag, misschien wel vijf dagen in de week. De gesprekken in dit kamertje zijn, en dat hoop ik, zeldzaam. Meestal vertelt de man met de witte jas dat ze het wel gaan fixen. Dat er een behandeling is, een operatie, medicijnen of in ieder geval iets waar je je aan vast kunt houden.
Maar vandaag niet. Vandaag heeft dat vriendelijke gezicht een moeilijke taak. Misschien wel één van de moeilijkste taken die bij zijn vak hoort. Hij moet met een paar woorden iemands leven totaal op zijn kop zetten.
Maar de man met de witte jas heeft zelf ook een leven. Hij heeft een thuis. Misschien wel een heel fijn huis. Misschien heeft hij vanochtend ruzie gehad. Misschien was hij moe toen de wekker ging en had hij helemaal geen zin om naar zijn werk te gaan. Maar hij moest. En bij alles wat hij die dag ging doen, moest hij zijn vriendelijke gezicht weer ‘aan’ zetten.
Misschien had hij vandaag helemaal geen zin om arts te zijn. Misschien juist wel. Waarschijnlijk is hij ooit arts geworden omdat het zijn passie was. Een passie om mensen beter te maken. Om levens te redden. Om iemand na een moeilijke tijd weer naar huis te kunnen sturen met hoop op een fijn leven. Vandaag niet.Vandaag begint zijn dag in een klein kamertje. Met een tafel, een zielig plantje, twee glazen water en twee mensen die tegenover hem zitten.
Twee mensen die nog niet weten dat er over een paar minuten een leven vóór en een leven ná dit kamertje zal bestaan.
Twee mensen die binnenkwamen met alles wat ze hadden… en die langzaam, woord voor woord, alles wat ze dachten nog te hebben voor zich, weg zien gaan.
En de man met de witte jas? Die moet daarna waarschijnlijk gewoon weer opstaan, de deur opendoen en verder met zijn werk.
Met zijn vriendelijke gezicht weer ‘aan’.